Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

 

Artikel 10.19 Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden
1
Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.
2
De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.
3
De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.
4
De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
5
Het instellingsbestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen instellingsbestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het instellingsbestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in , onder a. Voorts verschaft het instellingsbestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
6
Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.
7
De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda?s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het instellingsbestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
8
Het instellingsbestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
9
De beƫindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beƫindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.


Jurisprudentie bij dit artikel

  • Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.

  • Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.
  •